Hij zou niet ouder worden dan veertig, hooguit vijfenveertig jaar. Ondanks dat zwom hij als een professional, trouwde zijn grote liefde ­tegen alle weerstand in, schoolde zichzelf, werkte hard en reisde de hele wereld over. Wim, nu 92, ­logenstrafte alle statistieken en voorspellingen.

In 1928 is Wim nog maar een klein mannetje, een kleuter die vrolijk aan de hand van z’n moeder naar de kleuterschool gaat. Op een dag wordt hij plotseling ziek, moet overgeven. Zijn moeder wordt gewaarschuwd. Ze neemt hem mee naar huis, legt hem in bed en roept de dokter. Die denkt aan een kinderziekte, mazelen misschien. Maar na een week kan Wim niet meer staan. Diagnose: polio; kinderverlamming in de volksmond.

Dikke pech

Het salkvaccin, dat infectie met het poliovirus kan voorkomen, was er nog lang niet. Er waren geen geneesmiddelen, niets om Wim weer op de been te helpen. Integendeel: hij kwam in bed te liggen, eerst anderhalf jaar in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, waar ze proeven deden, maar weinig verder kwamen; daarna thuis. Hij hoorde bij de ‘gevallen’ bij wie de infectie met het poliovirus tot blijvende verlamming leidde. Wim had gewoon dikke pech. “Ik ben eigenlijk te vroeg geboren”, zegt hij nu lachend.

Alleen

Hoe ging het verder? “Aanvankelijk gebeurde er niets, ik lag in bed, kreeg te eten en drinken, en dat was het. Ik had nog niet de leeftijd dat ik al vrienden had gemaakt op school, dus ik lag veel alleen. Ik kon ook niet naar school. Al de voorzieningen die er nu zijn voor kinderen zoals ik toen, die waren er niet. Toen besefte ik nog niet welke gevolgen dit voor mijn leven zou hebben. Maar die polio heeft natuurlijk later alles bepaald.”

Moeder

Een zielig jongetje dat lijdzaam in bed ligt, dus? Wim lacht: “Nou nee hoor, ik haalde echt wel kattenkwaad uit, net als andere kleine jongens, want ik barstte van de energie, alleen wilden die benen niet meedoen. Mijn moeder had wel in de gaten dat het zo niet verder kon. Zij legde zich er niet bij neer dat dit mijn toekomst zou zijn. Ze zocht dokters op, sprak met ze en zocht met hen naar mogelijkheden om me uit bed te krijgen. En toen bedacht een van die mannen iets wat mijn leven totaal omgooide.”

Wim-ten-B--foto-1Zwemles

De gedachte was dat Wim zijn verlamde beenspieren (waar nog wel een beetje leven in zat) misschien kon oefenen in warm water. Hij zou zwemles kunnen krijgen! “Daarvoor moesten nog wel een paar bergen verzet worden, want gehandicapt zijn was in die tijd een zwaar taboe. Niemand mocht zien dat ik met mijn lamme benen les kreeg in een zwembad. Maar het Sportfondsenbad Amsterdam wilde meedoen.”

‘Gewoon’

Er was een instructiebad, dat op stille momenten werd gevuld met warm water. “Daar ging een instructeur met mij aan de slag. Het was een openbaring voor me, ik voelde me als een vis in het water, niemand zag dat ik verlamde benen had, ik was daar ‘gewoon’. Om kort te gaan: ik werd een goede zwemmer, was de eerste Nederlandse gehandicapte die een zwemdiploma haalde.
Daarvoor moest ik trouwens naar het bovenbad en kwam ik voor het eerst in een omgeving met toeschouwers. De tribune zat voor die gelegenheid vol doktoren die wilden zien wat ik in het water allemaal kon.”

Geen schaamte meer

Wim liet het niet bij dat ene zwemdiploma. Hij ging trainen, trainen, en nog eens trainen en werd ten slotte een goede langeafstandzwemmer, die tijden zwom waarop professionals jaloers waren. Hij won medailles. En hij speelde hoofdklasse waterpolo. Hij staat op foto’s, zwemmend in de IJssel, en wordt genoemd in stukjes in het krantje van de KNZB. Daarin dient hij als voorbeeld van ‘een doorzetter ondanks zijn handicap’. “Omdat ik wilde zwemmen, maar ook iets bereiken in die sport, moest ik me blootgeven. Ik kon niet net doen alsof er niets aan de hand was. Uiteindelijk had ik er geen moeite meer mee. De sleutel tot succes was dat ik me niet meer schaamde. Daardoor werd ik geaccepteerd zoals ik was. Zwemmen heeft me kracht en zelfvertrouwen gegeven. Ze krijgen me niet klein, dacht ik, ik laat me niet tegenhouden omdat ik in een wagen zit.”

Ze zei ‘ja’

Bijkomend voordeel van al die zwemtrainingen was dat hij er gespierd ging uitzien: brede schouders, goed ontwikkeld bovenlijf. Met twinkelogen: “Daardoor was ik wel gewild bij de vrouwen, hoor!” Maar hij liet zelf zijn oog vallen op een leuk meisje uit de kunstzwemploeg. “We hebben een tijd om elkaar heen gezwommen, en toen ik dan eindelijk de stoute schoenen durfde aantrekken om haar ten huwelijk te vragen, zei ze ‘ja’!”

Voor de rechter

Wim is even stil. “Onvoorstelbaar was het in die tijd, en heel bijzonder, en dapper dat ze erop inging. Want ze kreeg van alle kanten tegenstand, ook van haar ouders, die geen toestemming wilden geven voor ons huwelijk. Een valide vrouw met een gehandicapte, dat was ondenkbaar. We zijn dan ook voor de rechter getrouwd, in 1957. Ze trotseerde haar ouders en eigenlijk is dat nooit meer goed gekomen. Maar míjn moeder kon haar vreugde niet op dat ik een lieve vrouw had gevonden. We hadden elkaar echt getroffen, we kregen een fijn huwelijk, en vijf kinderen!”

Les aan huis

Even terug in de tijd. Hoe zat het met school, met werk? Hoe verdiende hij z’n geld? “Mijn moeder was een vrouw die niet opgaf. Zij regelde niet alleen die zwemlessen maar ook een lerares die me thuis lezen, schrijven en rekenen leerde. Ik ben mijn moeder nog altijd dankbaar, van haar heb ik geleerd door te zetten.”

Liefst naar zee

Toen hij de leeftijd kreeg dat hij ‘iets met z’n leven moest gaan doen’, is hij voor het diploma boekhouden gaan leren. “Niet dat daar nu mijn hart lag. Het liefst was ik bij de marine gegaan, naar zee. Ik heb er gesolliciteerd, wilde marconist worden, maar werd afgewezen omdat … ik een bril droeg. Geloof jij dat het de echte reden was?” Dus dan maar naar kantoor.

Succesvol en gewaardeerd

Hij haalde alle diploma’s die nodig waren (“Mijn benen waren slecht, maar aan mijn hoofd mankeerde niets”) en werd een geslaagd boekhouder. Begonnen bij een kleine levensverzekeringsmaatschappij en ten slotte zijn carrière beëindigd bij Nationale Nederlanden. “Ik heb meer dan veertig jaar gewerkt, en ze hebben me altijd gewaardeerd. Ik denk dat meespeelde dat ik me steeds open heb opgesteld. Ik kon met iedereen praten. Ik was een gewone volksjongen uit de Jordaan, en ik kwam in die stijve wereld terecht, maar had toch snel contact met iedereen.” Dat Wim succesvol en gewaardeerd was blijkt wel: hij werd geridderd in de Orde van Oranje Nassau. Trots laat hij foto’s zien.

Van de Jordaan naar het Benoordenhout

Vanwege het werk verhuisde Wim met zijn gezin naar Den Haag. “Vanuit een volksbuurt in Amsterdam naar het deftige Benoordenhout. Dat heeft wel wat voeten in de aarde gehad. Schei uit! De kinderen speelden waar ze niet mochten spelen, ik gooide met mijn invalidenparkeerplaats de hele parkeerroutine van de straat om en ga zo maar door.” Hij heeft er nog plezier om. “Ik had in Amsterdam kunnen blijven, maar ze wilden me graag op het hoofdkantoor, aan de Lange Vijverberg. Ze hadden alles voor me geregeld, dit huis was aangepast aan mijn conditie, een gespreid bedje. Maar het zwemmen hield natuurlijk wel op. Dat betekende niet dat ik uit de sportwereld stapte. Mijn kinderen gingen allerlei sporten doen, en binnen de kortste keren was ik jurylid voor de KNAU. We zijn nooit verhuisd, hebben hier altijd heerlijk gewoond.”

Dwars door Australië

Wim ging met de VUT en besloot het ervan te gaan nemen. “We hielden er allebei van de wereld te verkennen. En de eerste reis die we maakten was meteen de verste: naar Australië. Ik heb er een auto gekocht en we zijn het hele land doorgereden. En daarna hebben we heel Europa gezien, alle hoge bergen, de Pyreneeën, de Alpen, alles met de auto. Een heerlijke tijd, ik heb er boeken vol foto’s van.”

Hooguit 45

In 2010 overlijdt Wims vrouw, hij blijft intens verdrietig achter. Maar wie dacht dat hij daarna ‘verzorgd’ zou moeten worden, had het helemaal mis. “Ik wilde zelfstandig blijven wonen, ik had een fijn huis, er was geen enkele reden om er weg te gaan. Natuurlijk ben ik geen vijftig meer, maar wel in goede conditie. Ik heb altijd optimistisch naar het leven gekeken, met humor. Dat is mijn redding geweest; daardoor ben ik er nu nog steeds. De dokters zeiden mijn moeder in 1929 dat ik niet ouder zou worden dan 40, hooguit 45, maar Willem zit hier nog steeds!”

Op een terrasje

Hij is er nog steeds en verveelt zich geen moment. “Ik zorg dat ik contact houd met de wereld buiten. Mijn kinderen hebben me de computer leren gebruiken, ik mail met al mijn familie, vrienden en kennissen, fantastisch. Dan is er de tv voor het nieuws uit de buitenwereld. En de scootmobiel, díe heeft mijn leven echt veranderd. Hij brengt me overal heen waar ik naartoe wil. Binnenkort kom je me weer tegen op een terrasje in Scheveningen, met mijn camera op zak, want er gebeurt altijd wel iets, en ik kom allerlei mensen tegen. Ik ben echt van Den Haag gaan houden, van de zee, van alles in mijn buurt, de mensen. Daar geniet ik van.”

Nooit opgeven

Wim is vrolijk, levenslustig, “maar ik heb het natuurlijk ook moeilijk af en toe. Ik mis mijn vrouw echt dagelijks, maar opgeven zal ik nooit doen. Ik heb mezelf discipline opgelegd: vroeg opstaan, goed ontbijten, niet al te laat naar bed, en bezig blijven. Eigenlijk eindigt het leven net zoals het begint: met ‘reinheid, rust en regelmaat’. En ik heb mooie hobby’s, lieve kinderen en kleinkinderen met wie ik op stap ga, ik houd van mensen en gezelligheid. Toen ik in mijn werk op enig moment op de afdeling personeelszaken terechtkwam, had ik het daar nog het meest naar m’n zin. Ik heb nóg contact met vroegere collega’s. Nee, ik val echt niet onder de noemer ‘eenzame ouderen.”

 

icon-pdfDownload de PDF