Altijd dichtbij in haar geheugen: hoe ze dagelijks, een kind nog, in een lange rij stond voor brood. Hoe het voelde om honger, echte honger te hebben. Hoe hard ze van jongs af aan heeft moeten werken op de boerderij van haar ouders. En hoe de natuur haar pijn kon verzachten. Mira groeide op in een hardvochtige, grimmige omgeving. Maar toen de band met haar ouders en haar dorp op haar dertiende onverhoeds werd verbroken, voelde thuis toch als een ‘paradijsje’. Waarom moest ze weg?

Er loopt een meisje door een bloemenveld, mand op de heup, gehaast. Het is zomer in een klein dorp aan de voet van de Karpaten, Roemenië. Zeven uur in de ochtend, vakantietijd. In haar hoofd alle dingen die haar ouders haar hebben opgedragen te doen op de boerderij. Daar is ze een volle dag mee bezig, ook omdat ze het liefst nog méér wil doen dan haar moeder gevraagd heeft. Ze moeten haar geweldig vinden!

Haar ouders

Hoewel ze boer zijn, werken haar ouders verplicht in een fabriek. Verplicht, want dit is het dictatoriale Roemenië van Nicolae Ceaușescu in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De zorg voor de boerderij rust voor het grootste deel op de schouders van hun dochtertje Mira. Zij moet na school en in de vakanties het meeste werk doen. Mira heeft nog niet in de gaten dat dit veel gevraagd is voor een meisje van zeven. Ze doet gewoon wat gedaan moet worden. En na al dat werk lokken de bloemenvelden en de heuvels rondom hun dorp. Daar kan ze zich terugtrekken en verdwijnen. Weg van huis, weg van haar uitgeputte ouders, die haar soms buitensporig hard slaan. Omdat ze iets niet goed gedaan heeft, omdat ze rebels is, te slim misschien. Om niets. Geschokt door dat geweld kan ze soms dagenlang niet anders dan zwijgen.

Weggestuurd

Als ze later terugdenkt aan haar jeugd is er een tijd vóór en na. Ervoor zijn de jaren thuis, op de boerderij, op school met vriendinnen, en in het dorp. ‘Erna’ begint als Mira dertien is. Dan sturen haar ouders haar weg. Als ze vertrekt weet ze nog nauwelijks waarheen ze gaat, wil graag een omhelzing als afscheid. Maar haar moeder draait zich zwijgend om en loopt weg. Haar ouders sturen Mira naar een internaat waar ze zal worden opgeleid tot onderwijzeres.

Waarom?

In haar dorp, op de boerderijen heeft ze wel hondjes gezien die te vroeg bij hun moeder waren weggehaald. In de vreemde omgeving waar zij terechtkwamen, kregen ze water, maar heel weinig te eten. Zij konden niet ophouden met trillen, van honger en angst. Zo, precies zo voelt ze zich die eerste dagen en weken in het internaat. “Ik werd elke dag wakker op een vreemde plek, bij vreemde mensen. Steeds met dezelfde vraag: waarom hebben jullie me weggestuurd? Waarom?”

Een dood kind

Mogelijke antwoorden zullen haar blijven bezighouden. Een ervan is dat haar ouders natuurlijk wilden dat zij een beter leven kreeg dan ze zelf hadden. Dat wilden álle ouders in hun streek tenslotte: hun kinderen, zonen en dochters van boeren en arbeiders, gingen een betere toekomst tegemoet. Dáárom stuurden zij haar naar een internaat, om te werken aan haar toekomst. Maar intuïtief weet ze dat het anders is. Voelt ze dat haar ouders opgelucht zijn dat ze haar op deze manier kwijt kunnen. Ze vinden haar een moeilijk kind, voelen geen liefde voor haar. Mira denkt dat ze dat zelfs wel begrijpt. Dat haar ouders vanaf het begin geen band met haar hebben kunnen opbouwen. Ze werd met zeven maanden geboren, en overleefde in een couveuse. Maar haar vader, niet bij de geboorte aanwezig, kreeg het bericht dat zijn vrouw een dood kind had gebaard. Mira: “Hoe krijg je nog een band als dat kind daarna tóch blijkt te leven?”

Dronken mannen

Weggerukt worden uit haar ouderlijke omgeving komt als een ongekende schok. In het internaat is alles anders dan ze gewend is. Ze slaapt met zeven andere meisjes op een kamer; ze dragen een uniform, krijgen te eten in een kantine, maar hebben altijd honger. Het is er onveilig, Mira krijgt te maken met aanranding. “Het was verschrikkelijk, ik had geen idee wat er eigenlijk gebeurde. Ik wilde wel heel graag leren, maar begreep niet dat ik daarvoor weg van huis moest.” Op een dag breekt ze uit, klimt over muren die voor anderen te hoog lijken, en vlucht, om laat in de avond thuis aan te kloppen. Maar daar wachten geen open armen, geruststelling of begrip. Haar vader is woedend en stuurt haar nog diezelfde nacht terug. “Daar liep ik, terug naar het station, met mijn schoenen in mijn hand, geluidloos, zodat ik geen dronken mannen zou wekken die me konden lastigvallen.”

Alles wat vertrouwd was

Waarom zo hartstochtelijk terug willen naar een plaats waar geen liefde is, waar ze geslagen en uitgefoeterd wordt? Mira: “Ik was een kind en dat was wat ik kende. Het was de plaats waar ik me thuis voelde. Mijn ouders waren gewelddadig, maar ik had ook de troostende omgeving, de velden en de heuvels rond ons dorp. Die gaven me kracht. En mijn beste vriendin woonde in het dorp. Ik ken haar nog steeds.” Toen Mira van huis weg moest, verloor ze in één klap alles wat vertrouwd was.

Zíj hadden eten

Zes volle jaren zal ze in het internaat wonen. En gaan­deweg verdwijnt de drang om nog naar huis terug te willen. Zelfs in de vakanties blijft ze, meestal alleen, want behalve haar ouders heeft ze niemand om naartoe te gaan. Af en toe bélt ze nog wel naar huis, omdat je dat als kind nu eenmaal doet in zo’n situatie. “We hebben een kip geslacht en eten nu soep,” zegt haar moeder tijdens een van die gesprekken. Mira: “Die woorden snoerden me de mond. Mijn vader en moeder hadden thuis te eten! Thuis, waar ik ook zou moeten zijn. Ik had helemaal niets. Het duurde dagen voordat ik dat ontstelde gevoel uit mijn systeem kreeg. Daarna ben ik ze als vreemden gaan zien, niet meer als mijn ouders.”

Troost en hoop

Tussen alle narigheid door gooit ze een reddingslijn uit: leren en lezen. Ze ontdekt de kracht van boeken, van literatuur en poëzie. “In boeken is alles mogelijk! De personages die ik tegenkwam in verhalen waren een voorbeeld voor me. Ik begon een toekomst te dromen waarin ik zelf zou kunnen schrijven en praten over literatuur. Aan anderen laten zien wat literatuur met je kan doen; dat boeken je troost en hoop kunnen geven. Boeken lieten mij in een toekomst geloven waarin ik mezelf zou kunnen zijn, liefde kon krijgen en geven, waarin mijn wonden zouden kunnen genezen. Wat ik toen niet wist – en dat was maar goed ook – is dat dergelijke wonden, opgelopen als kind, bijna nooit genezen.”

Verborgen gehouden

Ook vriendschappen helpen haar de tijd door te komen. En met één speciale vriendin durft ze het na jaren op een keer te hebben over de aanrandingen waarvan ze slachtoffer is geweest. Ze vraagt zich af: gebeurde het met de andere meisjes ook? Waren zij ook misbruikt? Haar vriendin zegt van niet, voor zover het haar betrof. “Maar ik zag wel dat bijna iedere man iets van jóu wilde”, vertelt ze haar. “Je kwam van een ver dorp; misschien was je anders, en daardoor aantrekkelijk.” Maar Mira heeft zich nooit ‘anders’ gevoeld. Over de aanrandingen heeft ze niemand ooit gesproken, ze heeft het altijd verborgen gehouden. Als een man haar betastte, wist ze zichzelf op afstand te plaatsen, alsof niet zij maar iemand anders al die misselijkmakende handelingen moest ondergaan. “Soms lukte het buiten mezelf te treden, anders had ik het niet gered. Mijn vader had me wel kunnen redden als hij had gewild. Maar hij had er de kracht niet voor.”

Mensen van betekenis

Mira is negentien als ze in het laatste jaar van haar opleiding een kamer huurt buiten het internaat. “Bij een vrouw die bijna nooit thuis was. Heel haar koelkast at ik leeg, en ze heeft er nooit iets van gezegd. Daar ben ik haar nog steeds dankbaar voor.” Net zoals de bibliothecaresse op het internaat die haar raad gaf, en de docente Roemeens bij wie ze in het weekend mocht komen eten, waren dit mensen die haar bijbleven. “Zij gaven me hoop. Wat ik ook meemaakte aan narigheid, ik heb steeds mensen gehad die me het tegenovergestelde lieten zien, mensen die me vooruit hielpen. En dat is nog steeds zo.”

Eerste baan

Mira’s opleiding tot onderwijzeres eindigt met glanzende cijfers. En dat geeft haar het recht te kiezen waar ze les wil gaan geven. Naar de verste plaats in de provincie gaat ze, naar een internaat voor gehandicapte kinderen. Om met verbijstering te constateren dat dit een nog ergere plek is dan waar ze vandaan komt. Als ze aangifte doet van mishandeling en verwaarlozing krijgt ze het advies op te stappen. Niet daarom, maar omdat ze wordt toegelaten tot de universiteit, gaat ze weg. “Mijn droom stond op het punt uit te komen!”

Niet bang voor mooie woorden

Ze gaat Roemeense en Franse letteren studeren. “Het was fantastisch, dit was wat ik kon: studeren en schrijven.” Ze maakt vrienden, heeft samen met hen plannen om Roemenië te veranderen, neemt zich voor nooit te trouwen. Tot ze een Nederlandse jongen ontmoet die Roemeens studeert en verliefd op hem wordt. Dan trouwt ze tóch. “Hij kon blozen, had iets wat ik nog nooit bij Roemeense (macho)jongens gezien had, iets puurs. En hij was niet bang voor mooie woorden, hij sprak prachtig Roemeens.”

Het avontuur met de taal

Ze wonen twee jaar in Boekarest en krijgen een dochter. Maar haar man gaat ‘het water’ missen – de zee, de rivieren, het vocht in de lucht – en ze reist hem met haar dochtertje ten slotte achterna naar Nederland om er te gaan wonen. Na het gedwongen vertrek uit haar dorp toen ze jong was, is dit haar tweede emigratie. Moeilijk, maar ze ziet ook iets nieuws gloren. “Toen is het avontuur met de taal begonnen. Als ik weer wilde bestaan, moest ik mijn Roemeense identiteit met een nieuwe identiteit combineren. Daarvoor had ik taal nodig.”

Uit een gebroken gezin

In Nederland krijgt ze de afstand om terug te kijken en te begrijpen wat ze in de voorgaande jaren heeft meegemaakt. En om te proberen te genezen. “Voor die kans ben ik dankbaar. Ik hoefde niet meer te vechten om te overleven. Ik kreeg de kans om te begrijpen wie ik was en hoeveel ik te verwerken had. Een psycholoog zei me: je komt uit een gebroken gezin. Niet omdat je ouders uit elkaar zijn gegaan, maar omdat ze met jou hebben gebroken toen je kind was. Ik was ontsteld, ik kwam uit een gebroken gezin en ik had het niet geweten.” Ze begreep dat ze nog een lange weg te gaan had.

Een levende draak

Mira is nu een publicerende schrijver. Ze heeft haar droom waargemaakt. Maar het zijn geen boeken over kunst, literatuurtheorieën die uit haar pen komen, zoals ze het voor zich had gezien toen ze studeerde. Ze verhaalt kritisch over waargebeurde zaken, over (machts)misbruik. “Het is niet mijn keuze, het leven dicteert de onderwerpen; je schrijft over wat je het beste kent. Ik ben opgegroeid in een dictatuur. Ik kan moeilijk tegen hiërarchie, tegen mensen die macht tentoon spreiden, ben gevoelig voor censuur. Tijdens de revolutie (1989, CB), die een einde maakte aan het communistische bewind in Roemenië, gingen jonge mensen de straat op om te protesteren, ze riskeerden hun leven voor de vrijheid. Daarna kun je censuur en alles wat lijkt op oude systemen niet meer accepteren. Het verleden is als een levende draak die nog steeds vuur spuwt in mijn leven, én in dat van mijn man en dochter.“

Zo ver gekomen

Haar dochter wil opa en oma af en toe zien. Zij heeft een band met hen. Daarom gaat Mira met haar gezin af en toe terug naar het dorp waar ze geboren is, naar haar ouders. “Dan zie ik de bloemenvelden en de heuvels weer; ik word er nog steeds blij van. Zij helpen me mijn mond te houden en me niet te veel met mijn ouders te bemoeien. Want eigenlijk kan ik niet anders dan weggaan en me vér houden van hun leven. Volgens mij kénnen ze de waarheid, of ten minste een deel ervan. Als ze rust en vrede hebben met hun verhaal, dan vind ik het goed. Zo ver ben ik gekomen.”

icon-pdfDownload de PDF